Hardloopcolumns

In 2007 en 2008 schreef ik zo nu en dan een column voor het clubblad van mijn hardloopvereniging. Omdat de stukjes wel in de smaak blijken te vallen, leek het me aardig om ze ook op mijn eigen webstek te zetten. De column van oktober 2008 is de laatste . Aan alles moet tenslotte ook weer een eind komen.

Inhoud

Hardlopen met Sarah Palin (oktober 2008)
Pee-Erren (werkwoord)
(juli 2008)
Wie gaat er nou hardlopen?
(maart 2008)
Etiquette voor de hardloper
(november 2007)
Overbodige apparaten
(juni 2007)
Het is ook nooit goed (februari 2007)

Hardlopen met Sarah Palin … (oktober 2008)

     … niet echt natuurlijk (gelukkig niet, zeg), maar nu Alaska plotseling in het nieuws is en de meeste Nederlanders eindelijk vaagjes weten waar het ligt, leek het me wel aardig om ook eens op de actualiteit in te spelen en te vertellen over mijn hardloopervaringen in Alaska.

In 2005 dacht iedereen nog dat Alaska óf op de Noordpool lag óf op de Zuidpool en verkeerden alle Nederlanders in de veronderstelling (a) dat het er permanent bedekt was met meters sneeuw en (b) dat het er altijd 50 graden vroor. Ik werd hoofdschuddend voor gek verklaard toen ik rondvertelde dat dat mijn vakantiebestemming was. En ik kon honderd keer beweren dat Alaska exact even ver naar het noorden ligt als Noorwegen en dat het er in augustus lekker zomerweer is, je kon gewoon zien dat niemand me geloofde. En als ik dan ook nog meldde dat ik mijn hardloopschoenen meenam om te trainen voor de marathon van Amsterdam, was de reactie steeds een meewarig: “Wat! Je gaat hardlopen in al die sneeuw?!” en je zag ze denken: “Die Anna is een dombo.”

Augustus 2005: Anna zit in Alaska (zie foto, dat ben ik dus, niet Sarah). In Nederland is het zó nat en zó koud dat mijn ouders, die op mijn huis passen, de buurman erbij halen om uit te leggen hoe mijn cv aan moet. In Alaska is het daarentegen verrukkelijk weer, droog en een graad of 25, zodat het midden op de dag zelfs te warm is om lekker hard te lopen. Gelukkig is door het tijdsverschil van 10 uur mijn biologische klok zo ontregeld, dat ik ’s ochtends meestal ontstellend vroeg wakker word en (op dagen dat er geen wandelingen op het programma staan) nog tijd zat heb om vóór het ontbijt een rondje hard te lopen. Omdat we op 60º noorderbreedte zitten, is het al vroeg licht en kan ik voor zessen al op stap. Even voor de actualiteit: Sarah Palin zit op dat moment burgemeester te wezen op slechts 200 km van de plek waar ik op die eerste ochtend mijn hardloopschoenen aantrek – voor Alaskaanse begrippen pal om de hoek.

Wij kamperen aan een oogverblindend mooie baai. De zon is al op aan de overkant ervan, maar zit nog achter de bergen en ik zal hem straks langzaam tevoorschijn zien komen. Alle tenten om mij heen slapen nog en aan de naaldbomen te zien staat er geen zuchtje wind. De stilte is adembenemend. Na rijp beraad heb ik besloten om mijn pas aangeschafte bearbell1 niet aan te binden, want ik ga naar het dorp lopen, niet het bos in: ik ben nog niet klaar voor een ontmoeting met een gevaarlijk wild dier.

Ik ben net 200 meter van het kampeerterrein (o, wat geniet ik toch! o, wat is het hier mooi en vreedzaam!) of ik hoor iets in volle galop achter mij aan komen. Iets op vier poten en met nagels. Paniek. Er zaten hier toch helemaal  geen beren? Die kwamen toch niet zo dichtbij? Wat moet ik doen? Eerst maar eens achterom kijken. Goddank, het is geen beer - het is alleen maar een hele grote bloeddorstige hond van het soort dat hier ’s winters de arreslee trekt, eentje die veel harder kan lopen dan ik en die duidelijk nog geen ontbijt heeft gehad. Wat moet ik doen? De hond komt met de tong uit zijn bek al kwijlend razendsnel dichterbij, haalt mij moeiteloos in, rent me voorbij, houdt in en … gaat voor me lopen, terwijl hij zo nu en dan vriendelijk achterom kijkt. Wat is dit nu? Ik heb een loopmaatje gevonden! Dit is een sportieve hond, die in training is voor de marathon van Anchorage en die samen lopen met een toerist veel gezelliger vindt dan alweer zo’n eenzame lange duurloop.

Twaalf kilometer lang lopen de hond en ik naar het dorp, door het dorp en weer terug. Zo nu en dan schiet de hond even van de weg af om een konijn op te jagen, maar hij keert altijd weer terug en controleert zo nu en dan even of ik er nog wel ben en of hij niet te snel gaat. Op het kampeerterrein blijft de hond trouw buiten mijn tent wachten als ik mijn handdoek opzoek en hij loopt enthousiast mee naar het douchegebouwtje, waar hij probeert mee naar binnen te glippen. Maar zelfs mijn dierenliefde kent grenzen. Als ik even later fris weer buiten kom, is de hond weg. Na het ontbijt zie ik hem weer, enthousiast achter een paar andere toeristen aanrennend.

Trouweloos beest.

__________________________

1 Bearbell: klein belletje dat hardlopers in Alaska met een veiligheidsspeld aan hun hardlooptenue vastfrutten, om de beren te waarschuwen dat je eraan komt, zodat ze zich niet te pletter schrikken van je knalwitte schoenen en je aanvallen, maar gauw hun hol in duiken vóórdat ze je zien.

 

Pee-Erren (werkwoord) (juli 2008)

Je hebt van die aanstellerige lopers die eigenlijk alleen maar aan een prestatieloop mee willen doen als ze een PR kunnen zetten. Bij wijze van uitzondering willen zulke lieden ook nog wel eens iemand hazen op een tempo waarop zijzelf een langzame duurloop doen, maar dan zorgen ze er angstvallig voor dat de eindtijd nergens wordt vereeuwigd: de chip blijft thuis of anders rukken ze bij de finish gauw het startnummer af. Deze soort krijg je ook met geen stok naar de marathon van New York. Geweldige sfeer? Volstrekt niet boeiend. Vlak en snel parcours; dat is het enige dat telt voor dergelijke uitslovers, want er moet ge-pee-erd worden. Vreselijke mensen. Zo iemand ben ik.

Op mijn laatste twee halve marathons hield ik met mijn brede rug Ellen T. uit de wind. Aangenaam tempootje, hartslag kwam amper boven hobbelniveau uit. Voelde heel stoer. Toen kreeg ik eerst heel lang Pfeiffer en vervolgens darmproblemen en voedselvergiftiging, en een zware verkoudheid en een nog zwaardere verkoudheid en tenslotte een hele gemene griep. Mijn loopniveau zakte steeds verder af.

Gelukkig had ik op de halve marathon nog een oud, weinig indrukwekkend PR staan. Dus lumineus idee: om mezelf toch de illusie van vooruitgang te geven, zou ik dát aan kunnen pakken. Verpletteren hoefde niet, als het maar ietsje sneller was. Waarom had ik eigenlijk niet eerder geprobeerd een snelle halve te lopen? O ja, omdat de laatste poging zo’n afknapper was.

Dat zat zo. Om duistere redenen had ik een halve marathon op zondagochtend in Leeuwarden menen te moeten combineren met een concert op zondagmiddag in Leeuwarden. Het was nogal krap gepland, wat betekende dat ik vóór de voorstelling even een PR neer moest zetten, anders kwam ik te laat in de concertzaal. Moest kunnen. Het ging geweldig. Genietend van het weidse Friese platteland arriveerde ik al na 50 minuten op het 10-kilometerpunt. Ik rekende even snel uit, dat ik op een tijd van 1:45-nog-wat uit ging komen. Een geweldige tijd! Ik was op weg naar een topprestatie!

En toen ging het mis. De route keerde om en het bleek ineens ontzettend hard te zijn gaan waaien en ook nog eens ontzettend uit de verkeerde richting. Het mooie weidse land werd een kale vlakte waar de wind vrij spel had om mij maximaal dwars te zitten. Uren deed ik over de terugweg – of zo voelde het. Uiteindelijk kwam het eindpunt in zicht: de sportvelden. Met de tong op mijn schoenen strompelde ik naar de finish om te ontdekken dat ik ook nog een keer die hele klere-atletiekbaan rond moest. De langste vierhonderd meter van mijn leven. Eindtijd: 1:52-nog-wat. Nog nét een PR, dat wel, maar als je jezelf halverwege een tijd van 1:45 hebt wijsgemaakt, is 1:52 PRUT.

Dit voorjaar vond ik dus dat de tijd was gekomen om eindelijk weer eens een serieuze halve te lopen en het Leeuwarder trauma achter mij te laten. Gezien mijn vorm kon ik 1:45 wel op m’n buik schrijven, maar een klein, bescheiden PR-tje moest mogelijk zijn. Ik schoot zelfs zo ver door dat ik stiekem vond dat ik eigenlijk onder de 1:50 moest lopen. Verscheidene weken ijverig getraind, geen spectaculaire vooruitgang geboekt, maar toch maar besloten om op 1 mei op de trein naar Groningen te stappen - alwaar het goot en plensde. Ik had meteen de neiging om de eerste trein terug naar huis te pakken. Maar 5 minuten voor de start: tatáááááá! Het droogde op en de zon kwam erdoor. Ineens zag ik het helemaal zitten. Ik had mezelf inmiddels zo gehersenspoeld dat het getal 1:45 niet meer bestond in mijn hoofd, maar alleen nog de magische formule “< 1:50”. 

Vanaf hier is het verhaal niet meer interessant. Ik bleef keurig op tempo lopen en kwam op 1:48:47 binnen. Ha! 4 minuten van mijn PR afgesnoept! Goed gedaan, Anna! (En ik wil het nooit meer over Coos D. hebben, die een heel eind vóór mij zijn PR met 9 minuten verpletterde. Dat heb ik niet gehoord.)

 

Wie gaat er nou hardlopen? (februari 2008)

Hardlopen is een rare bezigheid. Je gaat nergens heen, loopt een doelloos rondje en het enige tastbare resultaat is een zweterig shirt. Als je pech hebt, waait het hard en plenst het. Waarom begint een weldenkend mens dan in hemelsnaam met hardlopen? In mijn geval is er een kort antwoord (“ik werd gedwongen”) en een lang antwoord. Niemand is nu natuurlijk nog geïnteresseerd in het lange antwoord, maar hier komt het lekker toch.

Terug naar de grijze oudheid: op een donkere avond in het najaar van 1985 fietste ik nietsvermoedend even bij een vriendin langs voor een kopje koffie. Net toen ik halverwege mijn kopje koffie was en dus geen kant op kon, liet de vriendin weten dat ze op het punt stond om een eindje te gaan hardlopen en of ik mee ging. IK? De sportkneus die voor gymnastiek altijd een 6 kreeg, omdat lager niet mogelijk was? De boekenwurm die als tiener amper de deur uit te krijgen was? Die liever zat te tekenen? Die zich opsloot op haar kamer om wereldreizen in de Bosatlas uit te zetten of om brieven in steenkool-Engels aan allerlei penvriend(innet)jes te krabbelen? Die zelfs de pest had aan wandelen? Die liever met de bus dan met de fiets naar school ging? Ik hardlopen? Voor joker over straat hobbelen op van die belachelijke witte schoenen? Dat nooit!

“Goh! lijkt me hartstikke leuk. Wat jammer dat ik schoenen met hoge hakken aan heb.”

Wat een schijnheiligheid. Dat hoort meteen te worden afgestraft, en dat gebeurde vanzelfsprekend. De vriendin trapt er niet in en organiseerde prompt een stel schoenen voor mij bij de bovenbuurvrouw die ook maat 36 had. Nu zat ik klem. Ik kon natuurlijk nog snel even mijn enkel verstuiken, maar het middel leek me in dat geval erger dan de kwaal. En een nieuwe smoes bedenken (ik heb ineens zo’n vre-se-lij-ke hoofdpijn) was zelfs mij te kinderachtig, dus daar stond ik dan onverwacht op een stel van die belachelijke witte schoenen.

Nu de deur nog uit. Gelukkig was het al helemaal donker en bevond ik mij aan de andere kant van de stad, zodat de kans dat ik herkend en nagewezen en heel hard uitgelachen zou worden niet enorm groot was. Ik kon me maar beter verzoenen met mijn lot en besloot er het beste van te maken, onder het motto “laat ik ook eens gek doen.” En toen viel het best mee. Sterker nog, ik vond het eigenlijk wel leuk. Het viel me niet eens echt zwaar, want door veelvuldig heen en weer fietsen had ik een redelijke conditie opgebouwd, en voor het eerst van mijn leven kreeg ik zo'n … eh … sportief gevoel over me. Een wonder! Een openbaring! Anna ziet het licht! Sporten kon warempel leuk zijn. Dat ik dat nog mocht meemaken.

Ik was meteen om. Schoenen gekocht (ze hadden destijds in mijn maat precies één merk) en nooit meer opgehouden met lopen. Die vriendin ben ik al lang geleden uit het oog verloren, maar mochten we elkaar per ongeluk nog eens tegen het lijf lopen dan ga ik haar meteen  vertellen dat ik haar voor de rest van mijn leven dankbaar zal zijn dat ze me aan het hardlopen heeft gekregen.

 

Etiquette voor de hardloper, ofwel: hoe hoort het onderweg? (november 2007)

Deze keer géén lollig stukje, maar een beantwoording van prangende vragen als: aan welke kant van de weg hoor ik te lopen? groet ik andere hardlopers? mag ik een agressieve hond doodschoppen?

Hieronder schets ik enkele sociale dilemma's waarmee een hardloper onderweg onverwacht mee geconfronteerd kan worden.

1. Je komt een onbekende hardloper tegen die je vriendelijk een goedendag wenst. Help! Wat te doen?

  1. Je kijkt de persoon in kwestie argwanend vanuit je ooghoeken aan, denkt "Wat mot dat mens?" en loopt zo hard mogelijk door.
  2. Je schrikt op, vraagt je verbaasd af tegen wie je tegenligger het heeft en realiseert je pas dat zij jou groette, als je alweer 80 meter verderop bent en het te laat is om te reageren.
  3. Je zegt vriendelijk goedendag terug.

Het goede antwoord is c. 
Naïeve lopers mogen echter één keer reageren als onder b., maar daarna moeten zij voortaan echt iedereen teruggroeten. Helemaal goed is het om zelf het iniatief te nemen. Dat tekent namelijk de wellevende hardloper. En a. is natuurlijk onvergeeflijk. Lopers die zich hieraan schuldig maken, moeten voor eeuwig verbannen worden naar de loopband in het fitnesscentrum, waar ze naar een tv zonder geluid mogen staren en verder geen kwaad kunnen aanrichten.

2. Er komt een hond ter grootte van een kleine pony bloeddorstig blaffend op je af galoperen. Hoe red je op sociaal verantwoorde wijze het vege lijf?

  1. Je deelt één of meer welgemikte schoppen uit.
  2. Je kijkt de hond doordringend in de ogen en blaft zo vals mogelijk terug.
  3. Je staat meteen stokstil, kijkt het beest vooral niet aan en zegt met een lief piepstemmetje: “Goedemorgen/middag/avond laiverd, wat vind ik jou toch een leuk hondje, en mag ik nu alsjeblieft dankjewel doorlopen?"

Antwoord a. is fout, fout, fout. Er is al genoeg zinloos geweld.
Optie b. is niet direct verkeerd, maar wel riskant, want als de hond een echt haantje is, wordt hij alleen maar aggressiever en heeft hij voordat je het in de gaten hebt een stuk uit allebei je bovenbenen gebeten. Bovendien is terugblaffen niet echt goedgemanierd.
Het correcte antwoord is dus alweer c: het grommende monster denkt dat hij een sukkel voor zich heeft, smelt, en gaat over tot de orde van de dag (het snuffelen naar lekkere vieze luchtjes van andere honden).

En dan nu onze prijsvraag:

3. Aan welke kant van de weg moet ik lopen en waarom?

  1. Rechts.
  2. Links.
  3. Precies in het midden.

Onder de goede inzendingen wordt een reflecterend hesje verloot. Of misschien ook niet. Over de uitslag wordt in ieder geval niet gecorrespondeerd.

 

Overbodige apparaten (juni 2007)

Hartslagmeters zijn volstrekt overbodig. Het enige dat de Eigentijdsche Loper echt nodig heeft is een goed stel schoenen. En, vooruit, een reflecterend hesje. De rest is allemaal onzin. High-tech ondergoed? Voor watjes. iPods? Voor sukkels. Hartslagmeters die afstand en tempo bijhouden? Alleen voor de allergrootste idioten. Ik heb er dus twee.

En ik ben niet eens een apparatenfreak. Mijn mobieltje, bijvoorbeeld, stamt nog uit het jaar nul (zomer 2004) en kan alleen maar bellen – niet fotograferen, niet filmen, geen afspraken bijhouden, niet theezetten. Ik heb een vierkant tv-tje met een enorme toeter van een beeldbuis, dat ergens in een kast staat. Totdat ik de senseo ontdekte had ik zelfs nog nooit een koffiezetapparaat bezeten. Mijn pc’s moeten vijf jaar mee en ik ben - afgezien van een handvol bejaarden - de laatste Nederlander zonder dvd-speler.

Ik ben ook al geen op hol geslagen winkelaar. Goed, ik geef toe dat ik meer boeken koop dan ik kan lezen, maar verder val ik best mee. Ik schaf pas nieuwe kleren of schoenen aan als er iets versleten is. Meubels gaan decennia mee. Om de 5 jaar een groter huis hoeft voor mij al helemaal niet en ook verder heb ik mijn portemonnee prima onder controle.

Maar hardloopapparaatjes halen het slechtste in mij naar boven: ze wekken mijn ongeremde hebzucht op en veranderen mij in een consumptiebeluste, kwijlende graaier. Toen ik er begin 2005 achter kwam dat Polar een hartslagmeter had uitgebracht die ook de snelheid en het tempo bijhield, werd ik heel erg onrustig. De hartslagmeter die ik had was echter nog maar twee jaar oud en deed het uitstekend. Dat wil zeggen, het meten van de hartslag. Ineens vond ik mijn vertrouwde apparaatje een achterlijk ding. Zou ik hem op de douchevloer kapot laten vallen, zoals ik per ongeluk met mijn vorige had gedaan? Maar dat voelde bijna een beetje als moord en dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. De belastingaangifte bood uitkomst: ik kreeg een bedrag terug dat precies overeen kwam met de prijs van een Polar S625X! Het moest zo zijn: de Polar S625X en ik waren voor elkaar bestemd.

Sinds maart 2005 ben ik dus niet slechts uitgerust met een hartslagmeter, maar ook met een hele grote zwarte pukkel op mijn schoen, waarin een accelerometer zit (echt waar) die elke miljoenste van een seconde (ofzo) iets meet (weet niet precies wat) en aan de hand daarvan nauwkeurig mijn snelheid en de afgelegde afstand berekent.

En was ik daar gelukkig mee? Nou en of; tijden lang was ik zo gelukkig als een kind. Totdat ik begin dit jaar ontdekte dat er een geheel nieuwe generatie gps-sporthorloges was opgestaan, met geïntegreerde antenne, prima ontvangst bij dicht bladerdak en hoge gebouwen (heel belangrijk als je op het Groningse platteland woont) en dowloadmogelijkheden om je vingers bij af te likken. Dit apparaat had de prachtnaam Garmin Forerunner 305 en die moest ik hebben. Helaas, uit mijn belastingaangifte dit jaar bleek dat ik geen cent terug kreeg: ik moest zelfs 8 euro bijbetalen. Goddank ontdekte ik ergens onder in een la nog een flinke stapel ongedeclareerde ziektekostenrekeningen van vorig jaar en toen was er geen houden meer aan: ik moest en ik zou de trotse bezitter van een drie-nul-vijf worden. Op 11 mei was het zover. Ik had eindelijk een Garmin en moest die tegelijk met de Polar aan een testritje onderwerpen. Wat liep ik voor joker die dag. Bovenop mijn linkerschoen die enorme pukkel van de Polar, aan mijn linkerpols het enorme horloge van de Polar en om mijn rechterpols de Garmin: geen horloge meer, maar een computer met een gespje. Een belachelijk gezicht. Ik was zo druk bezig met afwisselend op mijn linker- en rechterpols te kijken dat ik 14 kilometer had afgelegd voordat ik het in de gaten had. Ineens stond ik weer voor mijn voordeur. Geen idee waar ik onderweg allemaal was geweest. Maar gelukkig had mijn Garmin dat allemaal precies geregistreerd: een lijntje naar mijn pc en ik kreeg op een prachtige kaart exact te zien waar ik was langs gelopen, compleet met allerlei mogelijke andere gegevens, van gemiddelde hartslag per kilometer tot en met relatieve luchtvochtigheid (95,6%).

Volstrekt overbodig spul dus. Maar wel leuk.

 

Het is ook nooit goed (februari 2007)

Ik ben zo’n schijnheiligerd. Aan iedereen die het maar horen wil, vertel ik tot vervelens toe dat één van de fijnste dingen van hardlopen is, dat je de deur nog eens uitkomt en ouderwets overgeleverd bent aan de elementen. Niks van waar natuurlijk. Eigenlijk vind ik het vooral lekker om eindeloos over het weer te klagen. Want er is altijd wel wat.

Bij warm weer verwelk ik, schiet mijn hartslag veel te snel omhoog, loopt mijn hoofd paars aan en heb ik het benauwd. Met de hittegolven die we voortaan elk jaar krijgen (let maar eens op), betekent dit dat ik alleen om half zes ’s ochtends nog een beetje prettig loop. De hele zomer lang smeek ik dus de weergoden of het alsjeblieft herfst mag worden en of ze please please please een flinke hoosbui en een verkoelend windje willen sturen.

Eindelijk is het dan zover, het is november, het plenst, het waait. En nu zanik ik weer dat ik zo nat word en dat mijn sokken in mijn schoenen soppen en dat ik niks meer door mijn bril zie. En dat ik mijn loopjes de hele winter precies zo in moet richten dat ik de eerste helft tegen de wind in ga (=vreselijk afzien), zodat ik de tweede helft wind mee heb, want anders kom ik niet meer thuis. Tijdens die tweede helft hoor je me trouwens niet. Dan geniet ik met volle teugen van de harde wind. Maar er hoeft maar even een haakse bocht in de route te zitten, waardoor ik tijdelijk de volle laag krijg, en ik ben alweer aan het mopperen.

’s Winters lopen in het donker is ook een geliefkoosd zeuronderwerp, vooral lopen-in-het -donker-bij-regen. Mijn bril wordt dan zo nutteloos, dat ik hem maar in mijn zak stop en op de tast de weg naar huis probeer te vinden. Helemaal gek word ik van al die automobilisten die in de verte iets raars zien lopen (rode flikkerlichtjes om de armen, koplampje op het voorhoofd, reflecterende strepen op alle kledingstukken; moet van onze trainer) en dan gauw hun groot licht aandoen om mij eens goed te bekijken. Hoe vaak ik door dat soort onnnadenkende lieden al niet bijna een kanaal of een sloot ben ingerend ….

En toch: er is niks heerlijkers dan tegen de elementen opboksen en na afloop voldaan inelkaar zakken op de bank. De rest van de wereld bestaat op dat moment alleen maar uit watjes en ik voel me even het toppunt van stoerheid en sportiviteit. Lang leve weer en wind.

ALGEMEEN

  • Welkomstpagina
  • Lijfspreuken

BOEKEN

REIZEN

HARDLOPEN

joomla 1.5 stats

free counters