In 2007 en 2008
schreef
ik zo nu en dan een column voor het clubblad van mijn
hardloopvereniging. Omdat de stukjes wel in de smaak blijken te
vallen, leek het me aardig om ze ook op mijn eigen webstek te zetten. De
column van oktober 2008 is de laatste . Aan alles moet tenslotte ook
weer een eind komen.
… niet echt natuurlijk (gelukkig niet, zeg), maar nu
Alaska plotseling in het nieuws is en de meeste Nederlanders eindelijk
vaagjes weten waar het ligt, leek het me wel aardig om ook eens op de
actualiteit in te spelen en te vertellen over mijn hardloopervaringen in
Alaska.
In 2005 dacht iedereen nog dat Alaska óf
op de Noordpool lag óf op de Zuidpool en verkeerden alle Nederlanders in de
veronderstelling (a) dat het er permanent bedekt was met meters sneeuw en
(b) dat het er altijd 50 graden vroor. Ik werd hoofdschuddend voor gek
verklaard toen ik rondvertelde dat dat mijn vakantiebestemming
was. En ik kon honderd keer beweren dat Alaska exact even ver naar het
noorden ligt als Noorwegen en dat het er in augustus lekker zomerweer is, je
kon gewoon zien dat niemand me geloofde. En als ik dan ook nog meldde dat ik
mijn hardloopschoenen meenam om te trainen voor de marathon van Amsterdam,
was de reactie steeds een meewarig: “Wat! Je gaat hardlopen in al die
sneeuw?!” en je zag ze denken: “Die Anna is een dombo.”
Augustus 2005: Anna zit in Alaska (zie
foto, dat ben ik dus, niet Sarah). In Nederland is het zó nat en zó koud dat
mijn ouders, die op mijn huis passen, de buurman erbij halen om uit te
leggen hoe mijn cv aan moet. In Alaska is het daarentegen verrukkelijk weer,
droog en een graad of 25, zodat het midden op de dag zelfs te warm is om
lekker hard te lopen. Gelukkig is door het tijdsverschil van 10 uur mijn
biologische klok zo ontregeld, dat ik ’s ochtends meestal ontstellend
vroeg wakker word en (op dagen dat er geen wandelingen op het programma
staan) nog tijd zat heb om vóór het ontbijt een rondje hard te lopen.
Omdat we op 60º noorderbreedte zitten, is het al vroeg licht en kan ik voor
zessen al op stap. Even voor de actualiteit: Sarah Palin zit op dat moment
burgemeester te wezen op slechts 200 km van de plek waar ik op die eerste
ochtend mijn hardloopschoenen aantrek – voor Alaskaanse begrippen pal om
de hoek.
Wij kamperen aan een oogverblindend
mooie baai. De zon is al op aan de overkant ervan, maar zit nog achter de
bergen en ik zal hem straks langzaam tevoorschijn zien komen. Alle tenten om
mij heen slapen nog en aan de naaldbomen te zien staat er geen zuchtje wind.
De stilte is adembenemend. Na rijp beraad heb ik besloten om mijn pas
aangeschafte bearbell1
niet aan te binden, want ik ga naar het dorp lopen, niet het bos in: ik ben
nog niet klaar voor een ontmoeting met een gevaarlijk wild dier.
Ik ben net 200 meter van het
kampeerterrein (o, wat geniet ik toch! o, wat is het hier mooi en
vreedzaam!) of ik hoor iets in volle galop achter mij aan komen. Iets op
vier poten en met nagels. Paniek. Er zaten hier toch helemaalgeen beren? Die kwamen toch niet zo dichtbij? Wat moet ik doen? Eerst
maar eens achterom kijken. Goddank, het is geen beer - het is alleen maar
een hele grote bloeddorstige hond van het soort dat hier ’s winters de
arreslee trekt, eentje die veel harder kan lopen dan ik en die duidelijk nog
geen ontbijt heeft gehad. Wat moet ik doen? De hond komt met de tong uit
zijn bek al kwijlend razendsnel dichterbij, haalt mij moeiteloos in, rent me
voorbij, houdt in en … gaat voor me lopen, terwijl hij zo nu en dan
vriendelijk achterom kijkt. Wat is dit nu? Ik heb een loopmaatje gevonden!
Dit is een sportieve hond, die in training is voor de marathon van Anchorage
en die samen lopen met een toerist veel gezelliger vindt dan alweer zo’n
eenzame lange duurloop.
Twaalf kilometer lang lopen de hond en
ik naar het dorp, door het dorp en weer terug. Zo nu en dan schiet de hond
even van de weg af om een konijn op te jagen, maar hij keert altijd weer
terug en controleert zo nu en dan even of ik er nog wel ben en of hij niet
te snel gaat. Op het kampeerterrein blijft de hond trouw buiten mijn tent
wachten als ik mijn handdoek opzoek en hij loopt enthousiast mee naar het
douchegebouwtje, waar hij probeert mee naar binnen te glippen. Maar zelfs
mijn dierenliefde kent grenzen. Als ik even later fris weer buiten kom, is
de hond weg. Na het ontbijt zie ik hem weer, enthousiast achter een paar
andere toeristen aanrennend.
Trouweloos beest.
__________________________
1 Bearbell:
klein belletje dat hardlopers in Alaska met een veiligheidsspeld aan hun
hardlooptenue vastfrutten, om de beren te waarschuwen dat je eraan komt,
zodat ze zich niet te pletter schrikken van je knalwitte schoenen en je
aanvallen, maar gauw hun hol in duiken vóórdat ze je zien.
Je
hebt van die aanstellerige lopers die eigenlijk alleen maar aan een
prestatieloop mee willen doen als ze een PR kunnen zetten. Bij wijze
van uitzondering willen zulke lieden ook nog wel eens iemand hazen op
een tempo waarop zijzelf een langzame duurloop doen, maar dan zorgen ze
er angstvallig voor dat de eindtijd nergens wordt vereeuwigd: de chip
blijft thuis of anders rukken ze bij de finish gauw het startnummer af.
Deze soort krijg je ook met geen stok naar de marathon van New York.
Geweldige sfeer? Volstrekt niet boeiend. Vlak en snel parcours; dat is
het enige dat telt voor dergelijke uitslovers, want er moet ge-pee-erd
worden. Vreselijke mensen. Zo iemand ben ik.
Op mijn
laatste twee halve marathons hield ik met mijn brede rug Ellen T. uit
de wind. Aangenaam tempootje, hartslag kwam amper boven hobbelniveau
uit. Voelde heel stoer. Toen kreeg ik eerst heel lang Pfeiffer en
vervolgens darmproblemen en voedselvergiftiging, en een zware
verkoudheid en een nog zwaardere verkoudheid en tenslotte een hele
gemene griep. Mijn loopniveau zakte steeds verder af.
Gelukkig had ik op de halve marathon nog een oud, weinig indrukwekkend
PR staan. Dus lumineus idee: om mezelf toch de illusie van vooruitgang
te geven, zou ik dát aan kunnen pakken. Verpletteren hoefde niet, als
het maar ietsje sneller was. Waarom had ik eigenlijk niet eerder
geprobeerd een snelle halve te lopen? O ja, omdat de laatste poging
zo’n afknapper was.
Dat zat zo. Om duistere redenen had ik een halve marathon op
zondagochtend in Leeuwarden menen te moeten combineren met een concert
op zondagmiddag in Leeuwarden. Het was nogal krap gepland, wat
betekende dat ik vóór de voorstelling even een PR neer moest zetten,
anders kwam ik te laat in de concertzaal. Moest kunnen. Het ging
geweldig. Genietend van het weidse Friese platteland arriveerde ik al
na 50 minuten op het 10-kilometerpunt. Ik rekende even snel uit, dat ik
op een tijd van 1:45-nog-wat uit ging komen. Een geweldige tijd! Ik was
op weg naar een topprestatie!
En toen ging het mis. De route keerde om en het bleek ineens ontzettend
hard te zijn gaan waaien en ook nog eens ontzettend uit de verkeerde
richting. Het mooie weidse land werd een kale vlakte waar de wind vrij
spel had om mij maximaal dwars te zitten. Uren deed ik over de terugweg
– of zo voelde het. Uiteindelijk kwam het eindpunt in zicht: de
sportvelden. Met de tong op mijn schoenen strompelde ik naar de finish
om te ontdekken dat ik ook nog een keer die hele klere-atletiekbaan
rond moest. De langste vierhonderd meter van mijn leven. Eindtijd:
1:52-nog-wat. Nog nét een PR, dat wel, maar als je jezelf halverwege
een tijd van 1:45 hebt wijsgemaakt, is 1:52 PRUT.
Dit voorjaar vond ik dus dat de tijd was gekomen om eindelijk weer eens
een serieuze halve te lopen en het Leeuwarder trauma achter mij te
laten. Gezien mijn vorm kon ik 1:45 wel op m’n buik schrijven, maar een
klein, bescheiden PR-tje moest mogelijk zijn. Ik schoot zelfs zo ver
door dat ik stiekem vond dat ik eigenlijk onder de 1:50 moest lopen.
Verscheidene weken ijverig getraind, geen spectaculaire vooruitgang
geboekt, maar toch maar besloten om op 1 mei op de trein naar Groningen
te stappen - alwaar het goot en plensde. Ik had meteen de neiging om de
eerste trein terug naar huis te pakken. Maar 5 minuten voor de start:
tatáááááá! Het droogde op en de zon kwam erdoor. Ineens zag ik het
helemaal zitten. Ik had mezelf inmiddels zo gehersenspoeld dat het
getal 1:45 niet meer bestond in mijn hoofd, maar alleen nog de magische
formule “< 1:50”.
Vanaf hier is het verhaal niet meer interessant. Ik bleef keurig op
tempo lopen en kwam op 1:48:47 binnen. Ha! 4 minuten van mijn PR
afgesnoept! Goed gedaan, Anna! (En ik wil het nooit meer over Coos D.
hebben, die een heel eind vóór mij zijn PR met 9 minuten verpletterde.
Dat heb ik niet gehoord.)
Wie gaat
er nou hardlopen? (februari 2008)
Hardlopen is een rare bezigheid.
Je gaat nergens heen, loopt een doelloos rondje en het enige tastbare
resultaat is een zweterig shirt. Als je pech hebt, waait het hard en plenst
het. Waarom begint een weldenkend mens dan in hemelsnaam met hardlopen? In
mijn geval is er een kort antwoord (“ik werd gedwongen”) en een lang
antwoord. Niemand is nu natuurlijk nog geïnteresseerd in het lange
antwoord, maar hier komt het lekker toch.
Terug naar de grijze oudheid: op
een donkere avond in het najaar van 1985 fietste ik nietsvermoedend even bij
een vriendin langs voor een kopje koffie. Net toen ik halverwege mijn kopje
koffie was en dus geen kant op kon, liet de vriendin weten dat ze op het
punt stond om een eindje te gaan hardlopen en of ik mee ging. IK? De
sportkneus die voor gymnastiek altijd een 6 kreeg, omdat lager niet mogelijk
was? De boekenwurm die als tiener amper de deur uit te krijgen was? Die
liever zat te tekenen? Die zich opsloot op haar kamer om wereldreizen in de
Bosatlas uit te zetten of om brieven in steenkool-Engels aan allerlei
penvriend(innet)jes te krabbelen? Die zelfs de pest had aan wandelen? Die
liever met de bus dan met de fiets naar school ging? Ik hardlopen? Voor
joker over straat hobbelen op van die belachelijke witte schoenen? Dat
nooit!
“Goh! lijkt me hartstikke leuk.
Wat jammer dat ik schoenen met hoge hakken aan heb.”
Wat een schijnheiligheid. Dat
hoort meteen te worden afgestraft, en dat gebeurde vanzelfsprekend. De
vriendin trapt er niet in en organiseerde prompt een stel schoenen voor mij
bij de bovenbuurvrouw die ook maat 36 had. Nu zat ik klem. Ik kon natuurlijk
nog snel even mijn enkel verstuiken, maar het middel leek me in dat geval
erger dan de kwaal. En een nieuwe smoes bedenken (ik heb ineens zo’n
vre-se-lij-ke hoofdpijn) was zelfs mij te kinderachtig, dus daar stond ik
dan onverwacht op een stel van die belachelijke witte schoenen.
Nu de deur nog uit. Gelukkig was
het al helemaal donker en bevond ik mij aan de andere kant van de stad,
zodat de kans dat ik herkend en nagewezen en heel hard uitgelachen zou
worden niet enorm groot was. Ik kon me maar beter verzoenen met mijn lot en
besloot er het beste van te maken, onder het motto “laat ik ook eens gek
doen.” En toen viel het best mee. Sterker nog, ik vond het eigenlijk wel
leuk. Het viel me niet eens echt zwaar, want door veelvuldig heen en weer
fietsen had ik een redelijke conditie opgebouwd, en voor het eerst van mijn
leven kreeg ik zo'n … eh … sportief gevoel over me. Een wonder!
Een openbaring! Anna ziet het licht! Sporten kon warempel leuk zijn. Dat ik
dat nog mocht meemaken.
Ik was meteen om. Schoenen gekocht
(ze hadden destijds in mijn maat precies één merk) en nooit meer
opgehouden met lopen. Die vriendin ben ik al lang geleden uit het oog
verloren, maar mochten we elkaar per ongeluk nog eens tegen het lijf lopen
dan ga ik haar meteenvertellen dat ik haar voor de rest van mijn leven dankbaar
zal zijn dat ze me aan het hardlopen heeft gekregen.
Etiquette voor de hardloper, ofwel: hoe hoort het onderweg?
(november 2007)
Deze keer géén lollig stukje, maar een beantwoording van prangende
vragen als: aan welke kant van de weg hoor ik te lopen? groet ik andere
hardlopers? mag ik een agressieve hond doodschoppen?
Hieronder schets ik enkele sociale dilemma's waarmee een hardloper onderweg onverwacht mee geconfronteerd kan worden.
1. Je komt een onbekende hardloper tegen die je vriendelijk een goedendag wenst. Help! Wat te doen?
Je kijkt de persoon in kwestie argwanend vanuit je ooghoeken aan, denkt "Wat mot dat mens?" en loopt zo hard mogelijk door.
Je
schrikt op, vraagt je verbaasd af tegen wie je tegenligger het heeft en
realiseert je pas dat zij jou groette, als je alweer 80 meter verderop
bent en het te laat is om te reageren.
Je zegt vriendelijk goedendag terug.
Het goede antwoord is c.
Naïeve lopers mogen echter één keer reageren als onder b., maar daarna
moeten zij voortaan echt iedereen teruggroeten. Helemaal goed is het om
zelf het iniatief te nemen. Dat tekent namelijk de wellevende
hardloper. En a. is natuurlijk onvergeeflijk. Lopers die zich hieraan
schuldig maken, moeten voor eeuwig verbannen worden naar de loopband in
het fitnesscentrum, waar ze naar een tv zonder geluid mogen staren en
verder geen kwaad kunnen aanrichten.
2. Er komt een hond ter grootte van een kleine pony bloeddorstig
blaffend op je af galoperen. Hoe red je op sociaal verantwoorde wijze
het vege lijf?
Je deelt één of meer welgemikte schoppen uit.
Je kijkt de hond doordringend in de ogen en blaft zo vals mogelijk terug.
Je
staat meteen stokstil, kijkt het beest vooral niet aan en zegt met een
lief piepstemmetje: “Goedemorgen/middag/avond laiverd, wat vind ik jou
toch een leuk hondje, en mag ik nu alsjeblieft dankjewel doorlopen?"
Antwoord a. is fout, fout, fout. Er is al genoeg zinloos geweld.
Optie b. is niet direct verkeerd, maar wel riskant, want als de hond
een echt haantje is, wordt hij alleen maar aggressiever en heeft hij
voordat je het in de gaten hebt een stuk uit allebei je bovenbenen
gebeten. Bovendien is terugblaffen niet echt goedgemanierd.
Het correcte antwoord is dus alweer c: het grommende monster denkt dat
hij een sukkel voor zich heeft, smelt, en gaat over tot de orde van de
dag (het snuffelen naar lekkere vieze luchtjes van andere honden).
En dan nu onze prijsvraag:
3. Aan welke kant van de weg moet ik lopen en waarom?
Rechts.
Links.
Precies in het midden.
Onder de goede inzendingen wordt een reflecterend hesje verloot. Of
misschien ook niet. Over de uitslag wordt in ieder geval niet gecorrespondeerd.
Hartslagmeters
zijn volstrekt overbodig. Het enige dat de Eigentijdsche Loper echt
nodig heeft is een goed stel schoenen. En, vooruit, een reflecterend
hesje. De rest is allemaal onzin. High-tech ondergoed? Voor watjes.
iPods? Voor sukkels. Hartslagmeters die afstand en tempo bijhouden?
Alleen voor de allergrootste idioten. Ik heb er dus twee.
En
ik ben niet eens een apparatenfreak. Mijn mobieltje, bijvoorbeeld,
stamt nog uit het jaar nul (zomer 2004) en kan alleen maar bellen –
niet fotograferen, niet filmen, geen afspraken bijhouden, niet
theezetten. Ik heb een vierkant tv-tje met een enorme toeter van een
beeldbuis, dat ergens in een kast staat. Totdat ik de senseo ontdekte
had ik zelfs nog nooit een koffiezetapparaat bezeten. Mijn pc’s moeten
vijf jaar mee en ik ben - afgezien van een handvol bejaarden - de
laatste Nederlander zonder dvd-speler.
Ik
ben ook al geen op hol geslagen winkelaar. Goed, ik geef toe dat ik
meer boeken koop dan ik kan lezen, maar verder val ik best mee. Ik
schaf pas nieuwe kleren of schoenen aan als er iets versleten is.
Meubels gaan decennia mee. Om de 5 jaar een groter huis hoeft voor mij
al helemaal niet en ook verder heb ik mijn portemonnee prima onder
controle.
Maar hardloopapparaatjes
halen het slechtste in mij naar boven: ze wekken mijn ongeremde
hebzucht op en veranderen mij in een consumptiebeluste, kwijlende
graaier. Toen ik er begin 2005 achter kwam dat Polar een hartslagmeter
had uitgebracht die ook de snelheid en het tempo bijhield, werd ik heel
erg onrustig. De hartslagmeter die ik had was echter nog maar twee jaar
oud en deed het uitstekend. Dat wil zeggen, het meten van de hartslag.
Ineens vond ik mijn vertrouwde apparaatje een achterlijk ding. Zou ik
hem op de douchevloer kapot laten vallen, zoals ik per ongeluk met mijn
vorige had gedaan? Maar dat voelde bijna een beetje als moord en dat
kon ik niet over mijn hart verkrijgen. De belastingaangifte bood
uitkomst: ik kreeg een bedrag terug dat precies overeen kwam met de
prijs van een Polar S625X! Het moest zo zijn: de Polar S625X en ik
waren voor elkaar bestemd.
Sinds
maart 2005 ben ik dus niet slechts uitgerust met een hartslagmeter,
maar ook met een hele grote zwarte pukkel op mijn schoen, waarin een
accelerometer zit (echt waar) die elke miljoenste van een seconde
(ofzo) iets meet (weet niet precies wat) en aan de hand daarvan
nauwkeurig mijn snelheid en de afgelegde afstand berekent.
En
was ik daar gelukkig mee? Nou en of; tijden lang was ik zo gelukkig als
een kind. Totdat ik begin dit jaar ontdekte dat er een geheel nieuwe
generatie gps-sporthorloges was opgestaan, met geïntegreerde antenne,
prima ontvangst bij dicht bladerdak en hoge gebouwen (heel belangrijk
als je op het Groningse platteland woont) en dowloadmogelijkheden om je
vingers bij af te likken. Dit apparaat had de prachtnaam Garmin
Forerunner 305 en die moest ik hebben. Helaas, uit mijn
belastingaangifte dit jaar bleek dat ik geen cent terug kreeg: ik moest
zelfs 8 euro bijbetalen. Goddank ontdekte ik ergens onder in een la nog
een flinke stapel ongedeclareerde ziektekostenrekeningen van vorig jaar
en toen was er geen houden meer aan: ik moest en ik zou de trotse
bezitter van een drie-nul-vijf worden. Op 11 mei was het zover. Ik had
eindelijk een Garmin en moest die tegelijk met de Polar aan een
testritje onderwerpen. Wat liep ik voor joker die dag. Bovenop mijn
linkerschoen die enorme pukkel van de Polar, aan mijn linkerpols het
enorme horloge van de Polar en om mijn rechterpols de Garmin: geen
horloge meer, maar een computer met een gespje. Een belachelijk
gezicht. Ik was zo druk bezig met afwisselend op mijn linker- en
rechterpols te kijken dat ik 14 kilometer had afgelegd voordat ik het
in de gaten had. Ineens stond ik weer voor mijn voordeur. Geen idee
waar ik onderweg allemaal was geweest. Maar gelukkig had mijn Garmin
dat allemaal precies geregistreerd: een lijntje naar mijn pc en ik
kreeg op een prachtige kaart exact te zien waar ik was langs gelopen,
compleet met allerlei mogelijke andere gegevens, van gemiddelde
hartslag per kilometer tot en met relatieve luchtvochtigheid (95,6%).
Ik
ben zo’n schijnheiligerd. Aan iedereen die het maar horen wil, vertel
ik tot vervelens toe dat één van de fijnste dingen van hardlopen is,
dat je de deur nog eens uitkomt en ouderwets overgeleverd bent aan de
elementen. Niks van waar natuurlijk. Eigenlijk vind ik het vooral
lekker om eindeloos over het weer te klagen. Want er is altijd wel wat.
Bij warm weer verwelk ik, schiet mijn hartslag veel te snel omhoog,
loopt mijn hoofd paars aan en heb ik het benauwd. Met de hittegolven
die we voortaan elk jaar krijgen (let maar eens op), betekent dit dat
ik alleen om half zes ’s ochtends nog een beetje prettig loop. De hele
zomer lang smeek ik dus de weergoden of het alsjeblieft herfst mag
worden en of ze please please please een flinke hoosbui en een verkoelend windje willen sturen.
Eindelijk is het dan zover, het is november, het plenst, het waait. En
nu zanik ik weer dat ik zo nat word en dat mijn sokken in mijn schoenen
soppen en dat ik niks meer door mijn bril zie. En dat ik mijn loopjes
de hele winter precies zo in moet richten dat ik de eerste helft tegen
de wind in ga (=vreselijk afzien), zodat ik de tweede helft wind mee
heb, want anders kom ik niet meer thuis. Tijdens die tweede helft hoor
je me trouwens niet. Dan geniet ik met volle teugen van de harde wind.
Maar er hoeft maar even een haakse bocht in de route te zitten,
waardoor ik tijdelijk de volle laag krijg, en ik ben alweer aan het
mopperen.
’s Winters lopen in het donker is ook een geliefkoosd zeuronderwerp,
vooral lopen-in-het -donker-bij-regen. Mijn bril wordt dan zo
nutteloos, dat ik hem maar in mijn zak stop en op de tast de weg naar
huis probeer te vinden. Helemaal gek word ik van al die automobilisten
die in de verte iets raars zien lopen (rode flikkerlichtjes om de
armen, koplampje op het voorhoofd, reflecterende strepen op alle
kledingstukken; moet van onze trainer) en dan gauw hun groot licht
aandoen om mij eens goed te bekijken. Hoe vaak ik door dat soort
onnnadenkende lieden al niet bijna een kanaal of een sloot ben ingerend
….
En toch: er is niks heerlijkers dan tegen de elementen opboksen en na
afloop voldaan inelkaar zakken op de bank. De rest van de wereld
bestaat op dat moment alleen maar uit watjes en ik voel me even het
toppunt van stoerheid en sportiviteit. Lang leve weer en wind.