Ladakh heeft veel zon en weinig regen. Toch zou ik
iedereen die op zoek is naar een lieflijk oord met wuivende palmen en gezellige terrasjes
afraden om naar Ladakh te
gaan. Ondanks de schaarse regen en de vele zonne-uren (aanbevelingen voor de gemiddelde toerist) is het niet echt geschikt voor een
relaxt weekje er tussenuit. Dit Himalaya gebied, in
een uithoek van Noordwest- India, ligt vrijwel in zijn geheel boven de 3.500 meter, zodat
je in principe permanent in ademnood verkeert. De bergen zijn hoog en
spectaculair, maar ook kaal en onverbiddelijk. Echter, iedereen die houdt van
minimalistische landschappen, ongerepte natuur en een zeer intrigerende cultuur,
en die bovendien over een uitstekende conditie beschikt, moet onmiddellijk
zijn of haar rugzak pakken.
Reisgegevens
Periode: juli-augstus 1999 Soort reis: georganiseerde wandeltrektocht met
bagagevervoer door paarden Organisatie: SNP Accommodatie: hotel in Leh en Delhi; verder kamperen in de
vrije natuur Bezocht: Leh, Shey, kloosters van Tikse & Alchi &
Hemis, Markha Vallei (Zhingchen, Ganda-La, Kaya, Chalak, Hankar,
Nimaling), New Delhi, Agra Weer: in Ladakh droog, overdag prettige temperatuur, 's nachts in de bergen koud
(sneeuwbui); in Delhi en Agra erg warm met moessonregens Link:www.ladakh-op-maat.net
Boven: het dorp
Markha, met bloeiend mosterveld.
Markha is gelegen aan het gelijknamige riviertje.
Onder: een straatje in Marka.
Het laatste
Shangri-la
Ladakh wordt ook wel het laatste
Shangri-la genoemd, naar het paradijselijke oord hoog in de bergen en ver van de
verdorven westerse wereld uit het gelijknamige boek van James Hill. Dat gaat een
beetje te
ver: de eenentwintigste eeuw is inmiddels ook in Ladakh doorgedrongen. Toch had ik
toen ik uit het vliegtuigje stapte, dat ons van Delhi naar Leh (de hoofdstad van
Ladakh) bracht, het idee
dat ik op een andere planeet was geland en niet "gewoon" ergens in
Azië... Het eerste was opviel was het licht: hoewel het een bewolkte dag was,
greep ik meteen naar mijn zonnebril, zo fel was het. De bergen rondom het
vliegveldje zijn zo'n beetje de kaalste, grijste van het hele gebied en ook dat
droeg bij aan de vreemde sfeer. Toen kwam de cultuurschok. Ten eerste waren de
'zuilen' in het eenvoudige, maar redelijk moderne luchthaventje beschilderd met
de dezelfde bonte, krullerige patronen als ik later in de boeddhistische
kloosters zou zien. Het meest bijzonder waren echter de mensen: dit leek in niets
op het India dat iedereen van film en tv kent. De mensen waren beduidend kleiner
dan ik (en ik ben 1,58 m.!), hadden Mongoolse gezichten en droegen dikke,
donkere wollen mantels, net als in Tibet, soms met felgekleurde sjerpen en zware
zilveren sieraden (zie hieronder).
Ladakhse
vrouwen in hun dagelijkse kledij: bruine wollen kimonoachtige gewaden,
liefst versierd met mooie grote sieraden.
Overal kloosters
Wat flink bijdroeg tot de cultuurschok is dat in Ladakh, net als in Tibet alles
is doordrongen van
het Boeddhisme. Je vindt bij wijze van spreken op elke straathoek een enorme
gebedsmolen, langs elke bergpad gebedsmuren, op elke bergpas gebedvlaggetjes en
op elke bergtop een klooster.
Hemis (hiernaast) is het grootste en rijkste klooster van
Ladakh. Toen wij er waren begon er net een dienst voor de abt, die dat jaar in
een ongeluksjaar in zijn twaalfjarige levenscyclus zat. Monniken, nonnen en de
plaatselijke bevolking baden, zongen en prevelden mantra's om te voorkomen dat hem in dit
riskante jaar
iets slechts zou overkomen.
Dergelijke diensten kunnen dagen duren en zijn naar
onze begrippen erg informeel van sfeer. Iedereen loopt in en uit, de jonge monnikjes
giebelen en kletsen onder elkaar. Er is ook muziek, die voor ons moeilijk als
zodanig te herkennen is. De muziek wordt gemaakt met slag- en blaasinstrumenten.
In het begin klinkt het als pure kakofonie, maar na een tijdje ontdek je toch
wel een
zekere structuur, die trouwens eerder ritmisch dan melodisch van aard is.
Edelweiss
en blauwschapen
Lang niet alles in het Ladakhse
landschap is kaal en onherbergzaam. Zelfs op 4.500 meter wordt nog weelderig
groene gerst en prachtig geel bloeiend mosterdzaad verbouwd. En langs de
rivieren (in ons geval de Indus en het riviertje de Markha) groeien allerlei
bomen en struiken, zoals de tamarisk, met zijn roze pluimen. Er zijn zelfs
bergweiden met edelweiss.
Ook qua fauna valt er het nodige te beleven. Er wonen
nog sneeuwluipaarden in dit gebied, maar die hebben we natuurlijk niet gezien,
hoewel het waarschijnlijk is dat wij omgekeerd wel gesignaleerd zijn door deze
prachtige katten. Wat we wel ontwaard hebben zijn blauwschapen (een in het wild
levende grazer, die ergens tussen een geit en een schaap in zit - een scheit
dus), hele grappige marmotten, yaks en diverse vogels, zoals de gele kwikstaart,
de hop, de steenarend en allerlei leuke vogeltjes waarvan ik de naam niet
onthouden heb.
Fraai plekje in de buurt
van Shey, in het groene Indusdal
Thee onder
een parachute
De horeca onderweg in de bergen is een verhaal apart. Veel
toeristische infrastructuur is er niet (wegen zijn zelfs geheel afwezig), maar
op elke dagmars kom je wel een ondernemende Ladakhi tegen, die van een parachute
uit de dumpzaak een tent heeft gemaakt en daar thee, diverse biscuitjes en
blikjes cola verkoopt. Op de foto hiernaast zie je een wat uitgebreidere versie
van zo'n parachute-tent. Deze heeft zowaar stenen muurtjes, maar staat dan ook
in de bewoonde wereld, vlakbij het plaatsje Hemis.
Het zo te zien niet erg
vermaarde Parachute Restaurant bij Hemis