Eerst maar eens in Groningen zien te komen
Het is 16:30 uur, ik ben blessurevrij, virusvrij
(geloof ik) en er heerst geen hittegolf. Integendeel: het heeft een half
uurtje geleden nog geonweerd en het is nu zo frisjes dat ik bij nader inzien
een shirt met lange mouwen aandoe. Op het station is het een dolle boel -
dat wil zeggen, ik tref drie clubgenoten, die ook mee gaan doen. De trein
arriveert precies op tijd en blijft vervolgens staan. Als we eindelijk
vertrekken, blijkt er een seinstoring te zijn (van het onweer?) en blijven
we onderweg nóg een tijdje staan. Als dit zo doorgaat, moeten we uit de
trein zien te klimmen en op eigen kracht naar Groningen rennen. We hebben
tenslotte allemaal looptenue aan en dan zijn we ook meteen opgewarmd.
Gelukkig hoeven we dat noodscenario niet aan te spreken, want we komen
uiteindelijk toch aan in Groningen, waar het inmiddels plenst en plenst en
nog eens plenst. De wind is gaan liggen, dat wel.
Buienradar
Het was maar goed dat de trein vertraagd was, want nu hoeven we minder lang
onder een afdakje te staan kleumen totdat het startschot gaat. Geen hond die
al in het startvak staat natuurlijk. Niks is zo deprimerend als in een dun
shirtje en een korte broek stil te staan en nat te worden. Clubgenoot Karin
staat koortsachtig op haar telefoon de buienradar te volgen, maar die ziet
er niet hoopvol uit: we zitten net zo'n beetje op de grens van de plensbui
en als we thuis waren gebleven zaten we nu droog. Als ik opschiet kan ik de
trein nog halen. Ik kan ook besluiten om in plaats van drie rondes maar
één ronde te doen, zoals de meeste mensen, dan is het leed sneller
geleden. Maar nee, dat is kinderachtig; als ik maar eenmaal loop, valt het
altijd wel mee.
Om vijf minuten voor half zeven besluit iedereen plotseling tegelijkertijd
dat het tijd is om naar het startvak te gaan. En er gebeurt meteen een
wonder: het houdt op met regenen! Gelukkig maar, want we starten vijf
minuten te laat.
De Strategie
Daar gaan we. Wat is het heerlijk om weer eens aan een loopje mee te doen!
Strategie: ik hoop onder de 1:50 te blijven en op een tijd tussen de 1:49 en
1:50 uit te komen. Op mijn vrijdagse tempotrainingen van de afgelopen weken,
heb ik op 5:10 min/km getraind, maar dat waren steeds maar korte stukjes en
ik moet zeggen dat het tamelijk zwaar aanvoelde, niet soepeltjes genoeg om
even een hele halve-marathon vol te houden. Plan is om gemiddeld op een
hartslag van 177 te lopen, d.w.z. eerst de boel rond de 175 te houden en dan
vanaf 15 kilometer los te laten en gewoon zo snel mogelijk te lopen. De
eerste 10 kilometer gaan verrassend soepel; daarna begin ik mijn benen te
voelen (nu al?) en vanaf 14 kilometer begint het tempo in te zakken (nu
al?).
Aftellen en sprinten
Ik zit gemiddeld gezien echter nog steeds op streeftempo, maar als ik dat zo
wil houden, moet ik nu wel op een hogere hartslag gaan lopen. Ik schakel
over naar 180 en begin in mijn hoofd de kilometers af te tellen (nog
zeskommadrie - nog zeskommavijftien - nog vijfkommanegenenzeventig). Getver,
wat zijn het er nog veel.
De laatste loodjes breken aan: vals plat in de Oude Ebbingestraat. Inderdaad
héél vals. Ik kijk niet meer naar hartslag of tempo; gewoon doorbuffelen
en die man met het rode shirtje en de vetrollen in proberen te halen. De
finish komt in zicht. Ik hoor speaker Harm Noor galmen "en daar
passeert Jan de Vries de finish in 1:48:27 en daar finisht Joukje Hoekstra
in 1:48:33". Het dringt tot me door dat ik onder de 1:49 kan eindigen.
Sprinten! Nog harder sprinten! En blijven sprinten! Het lukt: ik eindig in
1:48:47. Geen toptijd, maar ik hoef me er ook niet voor te schamen. Joepie!
Met dank aan Jelle uit het verre oosten en Eric uit het verre westen voor hun virtuele aanmoedigen 
PS Hele originele medaille
"gewonnen", van loper met twee geamputeerde benen.
|