"Nooit was de telganger meer naar die voor altijd vervlogen zomer teruggekeerd. Onder het zadel van vele ruiters had hij zijn benen op vele wegen gestrekt, en er was nog geen einde aan die wegen gekomen. Pas nu, terwijl de zon opnieuw zijn vaste plaats had verlaten en de aarde onder zijn benen wankelde, nu het voor zijn ogen schemerde en dof werd, pas nu beleefde hij opnieuw de zomer die zo lang niet was teruggekeerd. Diezelfde bergen, die vochtige weide, die kudden paarden en dezelfde merrie met de lange manen verschenen nu in een vreemd, onzeker flikkerend licht voor zijn ogen. Hij rekte zich en trappelde wanhopig om aan de haam en de dissel te ontsnappen en om weg te draven naar die vervlogen en plotseling weer opduikende wereld. Maar het drogbeeld ontsnapte hem telkens weer en dat kwelde hem. Zijn moeder lokte hem met een zacht gehinnik, net als toen hij klein was, de kudde trok voorbij als in zijn jeugd en raakte hem even aan met staarten en flanken, maar hij was niet sterk genoeg om de schemerige duisternis van de sneeuwstorm te doordringen; die woedde steeds heviger rondom hem en geselde de vlokken in zijn ogen en neusgaten. Hij zweette hevig, maar rilde van de kou en die onbereikbare wereld zonk geluidloos weg en verdween in een werveling van sneeuw. De bergen, de weide en de rivier waren al weg, de paarden van de kudde gingen over in galop en alleen de schaduw van zijn moeder, de grote merrie met de lange manen, stond voor hem als een vage vlek. Zij wilde hem niet in de steek laten. Ze riep hem. Snikkend hinnikte hij uit alle macht, maar hij hoorde zijn eigen stem niet meer. En toen was alles verdwenen, ook de sneeuwstorm. De wielen ratelden niet meer. Het wondje onder de haam deed geen pijn meer." (pp. 12/13)