Jaspar verklaart het wezen van het konijn:

   "De mens is weliswaar het evenbeeld van God, maar er is ook een God die het konijn naar zijn evenbeeld geschapen heeft, dat is een God van vrolijk gehuppel en schichtige sprongetjes en een talrijk nageslacht.
   Want een konijnenwijfje kan wel tien nesten per jaar werpen. En tien jongen per keer, reken maar uit hoe ontzettend veel konijnen dat ten slotte worden. Ontelbaar, dat is wat konijnen willen zijn. Het konijnenwijfje heeft zoveel liefde dat ze nooit rust in haar lijf heeft, ze springt onafgebroken heen en weer, en er is altijd wel een deel van haar lijf dat siddert.
   Ja, het konijn is een Schepper.
   En het konijn hoort alles, het kan bij een klavertje zitten luisteren hoe het knopje ontluikt en wachten op de kroonblaadjes.
   En van bijna niets kan het konijn sterven, een windvlaag, een regendrupppel, een vlooienbeet, een hagelkorrel.
   (...)
   Soms vroeg iemand hem [Jaspar] wel eens: waarom vertel je mij zo'n onwaarschijnlijk verhaal.
   Een verhaal, zei Jaspar dan altijd, dat vertel je toch alleen maar opdat de mensen zich kunnen verwonderen." (p. 13/14)